All languages
🇳🇱
10,000 most common words in Dutch
Nederlands
Ranked by how often each word appears in everyday Dutch. Work through them in order — the first few hundred words carry most ordinary conversations.
Download as a text file
The word list
Showing 300 of 10,000
- 1ik
- 2je
- 3het
- 4de
- 5dat
- 6is
- 7een
- 8niet
- 9en
- 10van
- 11wat
- 12we
- 13in
- 14ze
- 15hij
- 16te
- 17zijn
- 18op
- 19maar
- 20er
- 21met
- 22die
- 23voor
- 24heb
- 25me
- 26als
- 27was
- 28ben
- 29om
- 30dit
- 31mijn
- 32aan
- 33n
- 34u
- 35dan
- 36naar
- 37weet
- 38hier
- 39zo
- 40jij
- 41kan
- 42geen
- 43nog
- 44heeft
- 45hem
- 46wel
- 47ja
- 48moet
- 49wil
- 50hebben
- 51goed
- 52haar
- 53nee
- 54hoe
- 55nu
- 56waar
- 57over
- 58ook
- 59doen
- 60uit
- 61zou
- 62ga
- 63of
- 64gaan
- 65bent
- 66mij
- 67bij
- 68al
- 69ons
- 70had
- 71m
- 72iets
- 73daar
- 74jullie
- 75hebt
- 76gaat
- 77zal
- 78kom
- 79waarom
- 80meer
- 81deze
- 82t
- 83laat
- 84moeten
- 85kunnen
- 86dus
- 87jou
- 88denk
- 89wie
- 90alles
- 91echt
- 92doe
- 93door
- 94alleen
- 95s
- 96toch
- 97zien
- 98eens
- 99weg
- 100man
- 101misschien
- 102laten
- 103nooit
- 104nou
- 105terug
- 106zei
- 107mee
- 108oké
- 109niets
- 110iemand
- 111toen
- 112komt
- 113even
- 114veel
- 115onze
- 116gewoon
- 117weten
- 118komen
- 119mensen
- 120nodig
- 121tot
- 122worden
- 123zeggen
- 124leven
- 125tijd
- 126weer
- 127twee
- 128net
- 129tegen
- 130z
- 131maken
- 132omdat
- 133zit
- 134uw
- 135zeg
- 136wordt
- 137hou
- 138kijk
- 139wij
- 140heel
- 141gedaan
- 142altijd
- 143mag
- 144dood
- 145zeker
- 146af
- 147jaar
- 148hun
- 149dag
- 150jouw
- 151huis
- 152dacht
- 153wilde
- 154allemaal
- 155vader
- 156doet
- 157wacht
- 158vrouw
- 159kunt
- 160zie
- 161keer
- 162andere
- 163zoals
- 164zij
- 165geef
- 166waren
- 167anders
- 168zich
- 169willen
- 170dank
- 171erg
- 172bedankt
- 173wilt
- 174geld
- 175één
- 176spijt
- 177praten
- 178werk
- 179kon
- 180iedereen
- 181beter
- 182moeder
- 183staat
- 184niemand
- 185gezien
- 186werd
- 187niks
- 188vinden
- 189oh
- 190binnen
- 191zitten
- 192zullen
- 193na
- 194wist
- 195vind
- 196helpen
- 197genoeg
- 198uur
- 199elkaar
- 200ging
- 201hele
- 202sorry
- 203vast
- 204neem
- 205leuk
- 206klaar
- 207god
- 208alle
- 209maak
- 210natuurlijk
- 211lang
- 212bedoel
- 213drie
- 214kwam
- 215zegt
- 216toe
- 217hé
- 218graag
- 219eerste
- 220maakt
- 221dingen
- 222krijgen
- 223alsjeblieft
- 224steeds
- 225ziet
- 226vertellen
- 227zonder
- 228deed
- 229houden
- 230hallo
- 231idee
- 232achter
- 233geven
- 234geweest
- 235onder
- 236helemaal
- 237mooi
- 238blijven
- 239kijken
- 240moest
- 241naam
- 242goede
- 243zag
- 244auto
- 245grote
- 246blijf
- 247luister
- 248lijkt
- 249ooit
- 250snel
- 251paar
- 252vragen
- 253kun
- 254wanneer
- 255gebeurd
- 256vriend
- 257meneer
- 258beetje
- 259nieuwe
- 260gek
- 261want
- 262kinderen
- 263hand
- 264zorgen
- 265laatste
- 266geweldig
- 267mr
- 268hadden
- 269vraag
- 270zelfs
- 271bang
- 272enige
- 273eten
- 274nemen
- 275samen
- 276zelf
- 277geleden
- 278hoor
- 279gevonden
- 280jongen
- 281staan
- 282o
- 283denken
- 284vandaag
- 285gezegd
- 286denkt
- 287beste
- 288thuis
- 289heen
- 290wereld
- 291jongens
- 292ken
- 293eerst
- 294eigen
- 295zoon
- 296vertel
- 297buiten
- 298meisje
- 299gelijk
- 300morgen
Practise these Dutch words out loud
Reading a list is the easy part. Chat with a LangBuddy on WhatsApp or iMessage and use each new batch of words in a real conversation.
Start practising Dutch